Vrienden en familieleden die de vroege relatie van dichtbij meemaakten, zagen soms iets wat van binnenuit niet zichtbaar was.
Bij het vermijdende patroon zagen zij hoe de ander enthousiaster was dan degene met het vermijdende patroon — een lichte ongelijkheid in betrokkenheid die van buiten zichtbaar was, maar van binnenuit voelde als normaal tempo.
Bij het angstige patroon zagen zij de verhoogde alertheid op kleine signalen — het controleren van berichten, het interpreteren van toon en timing. Niet als alarm, maar als een lichte gespannenheid die er altijd al een beetje was.
Bij het gedesorganiseerde patroon zagen zij de wisselingen — warmer en dan afstandelijker, toenadering gevolgd door terugtrekken — en vroegen zich soms af hoe de ander daarmee omging. Van binnenuit voelde het als normale variatie. Van buitenaf was het een patroon.
Wat een ander van buitenaf zag, was geen oordeel — het was wat het systeem vanzelf liet zien.