Tik op de node om de toelichting uit te klappen.
Vanaf vroeg in het leven bouwt het kind een intern model op van hoe nabijheid werkt. Niet bewust, niet in woorden — maar in verwachtingen: wat gebeurt er als ik iets nodig heb? Wie is er, en hoe? Wat kost het me om verbinding te krijgen?
Bowlby noemde dit interne werkmodellen (internal working models). Ze zijn geen bewuste overtuigingen maar automatische verwachtingspatronen — diep ingesleten in het systeem, actief voor de bewuste keuze heeft plaatsgevonden.
Die modellen sturen de partnerkeuze. Niet door te zeggen: kies deze persoon. Maar door herkenning te creëren. Een gevoel van: dit klopt. Dit voelt als thuis.
Het probleem is dat herkenning en veiligheid twee verschillende dingen zijn. Herkenning is een signaal van het hechtingssysteem: dit patroon ken ik. Veiligheid is iets anders: dit patroon doet me goed.
Voor iemand met een veilig hechtingspatroon vallen die twee grotendeels samen. Voor iemand met een onveilig patroon lopen ze uiteen. Het systeem herkent wat het kent — ook als wat het kent onveiligheid was.
Mikulincer en Shaver (2007) beschrijven hoe het hechtingssysteem bij onveilige hechting niet alleen de stressrespons activeert, maar ook de partnerselectie kleurt: mensen met een angstig patroon zoeken bevestiging in de activatie zelf. Mensen met een vermijdend patroon zoeken partners die de behoefte aan regulatie van buitenaf niet triggeren.